Wie als modelspoorbaanhobbyist zijn rollend materieel alleen maar aanvult met datgene wat kant en klaar in de winkel te koop is, zal merken, dat bijvoorbeeld de bijzondere locomotieven niet door de fabrieken worden gemaakt. Als u nu toch een aparte loc wilt lalen rijden, dan is de enige mogelijkheid, dat u er zelf een bouwt. We kozen daarom voor de echte liefhebbers eens een uniek exemplaar uit, dat toch gemakkelijk zelf te bouwen is. In dit eerste artikel vindt u de gegevens over het onderstel (zodat we alvast proef kunnen rijden) en de volgende maand maken we de loc verder af door hem te voorzien van de bovenbouw.

De loc die we gaan bouwen is de Nederlandse 2801. Een zware dieselloc van de N.S., waarvan de asindeling officieel wordt aangeduid met Bo'Bo', dat wil zeggen, dat beide assen van elk draaistel zijn aangedreven. Het is, zoals reeds gezegd, een bijzondere locomotief, want in het grootbedrijf bestaat er zegge en schrijve slechts èèn exemplaar van. In het kader van de Europese samenwerking op spoorweggebied worden namelijk door een aantal Europese industrieen — volgens voorschriften van de U.I.C. (Union Internationale des Chemins de Fer) — experimentele locomotieven gebouwd, die als proefkonijn dienst doen. Nuttige proefkonijnen overigens, want de 2801 verricht dagelijks zwaar werk. De hooggelegen cabine en het lange motorgedeelte geven een binnenruimte, waardoor er voor het monteren van de motor en de aandrijving van ons model ruimschoots gelegenheid is.
Aandrijving
Niettemin is het bouwen van een dergelijk model een secuur werkje. Het allereerste begin is heel gemakkelijk. We zagen uit een messingplaat een bodemplaat van 160 x 33 x 0,5 mm. Over de gehele lengte op nauwelijks 2 mm van de rand solderen we daarna de zijplaten (zie tekening 1 op het werkblad). Hierbij moeten we echter een klein beetje afwijken van de officiele tekening die de N.S. ons welwillend ter beschikking stelde. Het middenstuk van deze zijplaten zit namelijk een onbelemmerd
uitzwenken van de draaistellen in de bochten iets in de weg. (Modeltreinen moeten in verband met ruimtegebrek door kleinere bochten dan hun broers in het grootbedrijf.) Wanneer we het bredere middenstuk 15 mm inkorten verandert er op het oog niets aan de loc, maar kunnen de draaistellen onbelemmerd draaien. Nu al moeten we aan de aandrijving denken. In tegenstelling tot de werkelijkheid wordt ons model aangedreven door de twee assen van het draaistel, gelegen onder de lange motorkap. De plaats van deze assen wordt afgetekend op de bodemplaat. Dat is het midden van de twee gaten van 15 x 15 mm. waardoor de aandrijving moet lopen. Wij kozen een aandrijving door middel van rubberbanden, omdat deze geruislozer zijn, gemakkel
ijker en soepeler dan de aandrijving door middel van een tand- en wormwiel. De aandrijfas (een fietsspaak) rust in rechtopstaande houders (18 mm hoog). Precies boven de gaten in de bodemplaat monteren we daarna op deze aandrijfas twee wieltjes met flens, waarop het rubberbandje zal lopen. Wij namen hiervoor de in de modelbouwzaken verkrijgbare wielen van raceauto's. Aan het ene eind van de aandrijfas een nylon tandwiel, aan het andere eind een ringetje om de as op zijn plaats te houden. Als motor voor deze loc kochten we de machtige Micropern, een klein en oersterk motortje, dat gemakkelijk een plaats vindt in onze loc.
Draaistellen
Als we de draalstellen nu meteen zouden monteren op de bodemplaat, zouden ze veel te diep komen te liggen. We solderen daarom een "dubbele bodem", eveneens met de tevoren ingezaagde 15 x 15 mm-gaten, tegen de onderkant van de bodemplaat. Deze dubbele bodem mag uiteraard niet onder de rand van het smalle gedeelte van de zijplaat van de loc uitsteken {zie tekening 1). Nu kunnen we nauwkeurig het gat voor de draaitappen van de draaistellen in een keer door bodemplaat en dubbele bodem heen boren.

De draaistellen maken we in tweevoud, dus elke handeling in twee- of viervoud herhalen, waardoor sneller gebouwd kan worden. Ruggegraat van de draaistellen is een 24 mm lang messing profiel van 6x3 mm (zie tekening 2) De scheenplaten zijn
eveneens van messing en worden na het boren van de gaten voor de assen voorzien van een asdop (platgeslagen kleinste model van een drukknoop), een aantal vlak gevijlde messing stripjes en een zwaar veerpakket. Dat laatste maken we van 0,7 mm ongeïsoleerd montagedraad, dat we zeven slagen strak om een spijkertje van 1,5 mm 0 wikkelen. Op de juiste lengte afgeknipt zijn dit fraaie veren van het draaistel. Al deze kleine versieringen kunnen we beter met metaallijm lijmen dan solderen. Voordat de wielen tussen de scheenplaten worden geklemd. monteren we op de wielassen van het aangedreven stel een klein flenswieltje, bijvoorbeeld een afgedankt wieltje van een klein autootje. Nu rest ons nog het rubberbandje op de juiste lengte af te knippen en de twee einden met rubbersolutie aan elkaar te plakken, nadat het om beide fienswielen is gelegd. Goede rubberbandjes kunt u kopen bij de modelbouwzaken die ook aan zweefvliegtuigbouwers leveren. Het is aan te raden de bandjes niet te strak te maken.

Stroomvoorziening
De spoorbaan waar wij de loc op probeerden, was gebaseerd op gelijkstroomvoeding door drierails, zodat de stroomtoevoer geen problemen met zich meebracht. Gemonteerd op een stukje perspex, verleent een middenrail-stroomafnemer van Marklin goede diensten. Het draadje monteren we aan een aansluiting van de motor. Aan de andere aansluiting solderen we een draadje dat verbonden is met de bodemplaat.
Nu komt het grote moment voor elke modellocbouwer: de proefrit. Hoe zal de loc lopen? Trekt hij goed en rijdt hij geruisloos? U krijgt er direct antwoord op, want doordat de bovenbouw er nog niet op zit, kunt u als u de loc langzaam laat rijden, nauwkeurig de bewegingen van alle onderdelen volgen. De nodige correcties kunnen we in dit stadium dan nog aanbrengen. Als de proefritten geheel naar wens verlopen, zijn we gereed om aan de bovenbouw te beginnen, maar daarover meer in het tweede artikel over de bouw van de 2801 -loc.

Bovenbouw
U moet zich bij de bovenbouw en de afwerking goed realiseren dat het nu gaat om het uiterlijk van de loc. In de eerste bouwfase, waarbij een aantal elementen uit het zicht bleven, kunt u zich nog een enkele onvolkomenheid permitteren. Bij de bovenbouw en de uiteindelijke afwerking is elk druppeltje soldeer te veel of elke kras of niet-helemaal-rechte lijn een blijvende ergernis. Dus hier geldt meer nog dan tevoren: precisie en zuiver werk! De bovenbouw van onze 2800 bestaat uit drie onderdelen, namelijk een lange motorkap, een stuurcabine en een korte motorkap, die alle drie later door metaallijm met elkaar zullen worden verbonden. De twee zijkanten van de lange motorkap zagen wij uit 0,5-mm-zinkplaat. De maten zijn gemakkelijk over te nemen van de tekening. Ook de tien openingen per zijkant zagen we uit. Voor- en bovenkant van deze motorkap zijn een stuk. Van de voorkant eerst de vijf openingen voor de lampen boren, daarna buigen we dit lange en smalle stuk tweemaal. Allereerst de scherpe knik, die de scheiding vormt tussen verticaal en horizontaal, daarna de flauwe knik midden op de kap. Nu reeds moeten wij erom denken de gaatjes te boren waarin straks de handvatten zullen passen boven de luiken. Als de drie onderdelen van de motorkap goed sluitend in elkaar passen, solderen wij deze elementen aan elkaar. Dat is het best te doen door het geheel ondersteboven te plaatsen. In verband met de duidelijk afgeronde hoeken van de kap zowel aan de voor- als aan de zijkanten gaan wij veel soldeer laten vloeien in de hoeken. Bij het solderen van de eerste zijwand zijn geen bijzondere moeilijkheden te verwachten. Bij het aanbrengen van de andere kant echter dient u wel even op te letten, want door verhitting van een betrekkelijk klein stukje metaal kunnen andere soldeerverbindingen ongedaan gemaakt worden. Een doelmatig middel tegen dergelijke plaatselijke oververhitting is natte watten. Daarvan legt u een lang, in elkaar gedraaid stuk in de af te koelen hoek. Door de verdamping van het water wordt bijzonder veel warmte onttrokken en zo blijven reeds eerder gemaakte soldeerverbindingen onaangetast. Door deze verdikte hoekverbinding kunnen wij gemakkelijk een afgeronde vorm aan de hoeken geven, als we een heel stuk van de hoek afvijlen (zie figuur 1). Daar komt nog bii dat de motorkap door dit extra-tin verzwaard is, wat de trekkracht van de loc ten goede kan komen.
Bestuurderscabine
De hooggelegen bestuurderscabine geeft aan deze loc een bijzonder karakter. Maten van beide zijkanten van de bestuurderscabine zijn gemakkelijk van de tekening af te lezen. We zagen niet alleen de ramen uit, maar ook de gehele deuropening. De daarna iets groter uitgezaagde deur met raampje wordt dan later aan de binnenkant van de cabine tegen de zijwand gesoldeerd. Hierdoor krijgt de deuropening meer diepte. Voor- en achterwand van deze cabine zijn iets lastiger, omdat ze zowel zijwaarts als achterwaarts een dubbele knik hebben en dat is niet zo maar
te realiseren. Daarom maken wij deze wanden uit twee elementen, die ook ditmaal door veel soldeer in de ontstane kieren te laten vloeien en later bij te vijlen hun typische vorm krijgen (zie figuur 2).
Zorgvuldig vijlen speelt vooral bij de bouw van dit onderdeel een grote rol. Het overtollige tin immers moet zodanig worden weggevijld, dat nog strakke hoeken ontstaan. De afmetingen van het sterk gebolde dak zijn het gemakkelijkst eerst af te tekenen op een soepel stukje karton (visitekaartie), dat u op de cabine vouwt, waarna u de maten overneemt op net zink. Om een klein rond flesje of een klein blikje is dit stukje zink dan rond te buigen. Bij het vastsolderen van het dak — zo mogelijk van binnen uit — ook weer ruimschoots gebruik maken van natte watten, voor afkoeling van de bestaande soldeerverbindingen.

Afwerking
Nu is het de tijd om de kleine details aan te brengen, die de loc levensecht maken. Allereerst de roosters van de ventilatie-openingen. Een heel fijn rooster is moeilijk zelf te maken, maar een kleine speurtocht in de rommelkist kan een voortreffelijke imitatie aan het licht brengen. In oude radiobuizen vindt u een fraai stukje rooster, dat na zorgvuldig slopen van de radiolamp en
gladstrijken, aan de binnenkant van de motorkap wordt vastgelijmd. In dit stadium is het raadzamer veel van dergelijke kleine details vast te lijmen met metaallijm dan enig risico te lopen met een soldeerverbinding. De ruiten van de stuurcabine (dof geschuurde stukjes plastic) worden eveneens aan de binnenkant vastgelijmd.

Schilderen
Alvorens tot schilderen over te gaan moet het model zorgvuldig worden afgeschuurd met zeer fijn waterproef schuurpapier, nummer 400 of 600 of zelfs polijstpapier 800. Als het model dan tot in de laatste hoekjes glad en blinkend is geslepen, maakt u het in een lauw bad. waaraan een verdund wasmiddel is toegevoegd, goed vetvrij. Met een stug kwastje flink alle uithoeken
bewerken. Wie goed schilderwerk ter harte gaat, raakt het model zo min mogelijk met de handen aan. Rubberhandschoenen of een velletje doorslagpapier verhinderen de overdracht van het kleine beetje vet dat wij altijd wel aan onze vingers hebben. want u weet het: elk vet stukje metaal zal later de verf minder gemakkelijk aannemen. De heel serieuze schilders beginnen het schilderwerk met een primer (zinkchromaat), die ze later afwerken met een halfglanzende laklaag. Kleuren: zachtblauw (een weinig stoere kleur voor een goederenloc) voor de bovenbouw, antracietgrijs voor onderstel en dak. Alle verflagen zo dun mogelijk opbrengen. Als laatste belangrijke detail de nummerplaat, die wij uit een stukje blinkend geschuurd koper knippen en zwart schilderen. Na droging krast u er dan met een speld het cijfer 2801 in en enkele stippeltjes, voorstellende NS. Zo verschijnt dan in blinkende koperen letters het nummer van onze unieke loc, de 2801.
Zie werkblad